In de stille tentamenperiode, wanneer gangen leeg zijn en stemmen fluisteren in plaats van lachen, blijft één iemand achter in de verenigingsruimte. Terwijl anderen verdwijnen in bibliotheken en achter stapels samenvattingen, steekt hij s'ochtends het licht aan, zet de koffie klaar en schuift stoelen recht alsof er elk moment gezelschap kan binnenstromen.
Hij is als een vuurtoren aan een verlaten kust. Waar buiten de storm van deadlines en stress raast, biedt hij een vaste gloed. Geen groot gebaar, geen applaus—alleen een constante aanwezigheid. Soms komt er iemand binnen, moe en verdwaald in gedachten, en vindt even rust in dat warme licht.
Hij vraagt niet waarom ze komen, alleen of ze koffie willen.
En zo, terwijl de wereld zich afsluit in stilte en concentratie, blijft hij waken. Niet omdat het moet, maar omdat iemand het licht moet laten branden.